Menu:
deel deze site op:

Solidariteitsprojecten van, voor en met blinden en slechtzienden:
diensten op maat voor mensen met een visuele handicap

Nieuws en events

Zoeken

Blijf op de hoogte

Toegang voor medewerkers

Geef aub uw login en wachtwoord op:

Toegang voor bestuurders

Speciale pagina's voor bestuurders.

deel dit artikel op:

Interview met ALBERT VAN IMPE

Als u op een foto klikt, wordt ze groter.

Terwijl hij samen met Anne geniet van een rustig pensioen aan zee, blikt Albert Van Impe terug op een bijzonder boeiend leven. Ondanks een zware visuele handicap werd Albert notaris, een beroep dat hij bijna dertig jaar uitoefende. Daarna ontdekte hij zichzelf als kunstenaar.

In Knokke betrekken Albert en Anne een kleurrijk nestje. We horen er het zeer inspirerende verhaal van een man die zich door zijn handicap niet liet tegenhouden. Voor het eerst komt Albert met zijn ervaringen naar buiten en dat doet hij met veel vuur.

“Ik ben ter wereld gekomen in 1942 in Turnhout, hoofdstad van de Antwerpse Kempen. Er was iets mis, want ik huilde veel. Maar de kinderspecialist vond niets aan het hart en de longen. Na enkele maanden bleek dat de kwaal bij de ogen zat. Ik had een vrij zeldzame aandoening: congenitaal glaucoom of ‘grauwe staar’. In mijn familie ziet iedereen normaal, hoewel de aandoening erfelijk is. Dat was later voor ons de reden om bewust kinderloos te blijven.

Toen ik 6-7 maanden was, ben ik geopereerd in de kliniek van dokter Coppé, een bekende oogarts in Brussel. Het was toen 1943, midden in de oorlog. In mijn linker oogbol werd een klein gaatje gemaakt, om de overdruk van het glasvocht weg te nemen. Die vrij middeleeuwse praktijk is vandaag ondenkbaar.

Ik groeide op met ernstige visuele problemen. Voor mijn ouders was het heel moeilijk om te weten wat ik zag en wat ik kon. Ik herinner mij nog dat mijn vader vaak om vier uur aan de schoolpoort stond. Hij vroeg dan aan de meester of ik had kunnen volgen en of ik aandachtig was geweest. Maar dat was niet makkelijk vast te stellen en het varieerde nogal, dus eigenlijk wist mijn papa daar niet veel meer mee.

Van in het eerste studiejaar stond mijn bankje op de trede, twee à drie meter van het bord. Dan kon ik lezen wat de meester vlak voor mij op het bord schreef. Met het linkeroog zag ik een tiende, het rechter was een lui oog. Ik had een brilletje met heel dikke glazen, want ik was heel sterk bijziend. Regelmatig kreeg ik een schriftje mee van een leerling met een mooi geschrift, om me thuis bij te werken.

Ik moet je niet vertellen dat het niet plezant was om daar zo alleen te zitten. Op de koer moest ik dan weer voorzichtig zijn. Balsporten waren uitgesloten. Gelukkig werd ik nooit uitgelachen.

Toen ik acht was, zijn we naar Gent verhuisd. De rest van mijn studies, vanaf het derde leerjaar, heb ik daar gedaan. Mijn papa was doctor in de pedagogie en werd directeur aan de normaalschool in de Ledeganckstraat. Ik werd daar heel goed opgevolgd. Regelmatig gaven kandidaat-leerkrachten proeflessen, achteraan in de klas zat dan vaak een inspecteur. Mijn eigen lessenaartje stond nog altijd op de trede.

Mijn vader wist nog altijd niet wat ik kon zien en wat ik zou aankunnen. In de normaalschool bleek dat ik vrij goed kon volgen. Voor bepaalde vakken, zoals grammatica, opstel en voordracht, was ik zelfs behoorlijk goed. Ik zou dus naar het college gaan. In de vakantie na het zesde leerjaar heb ik wel heel wat moeten bijstuderen, ter voorbereiding van de Grieks-Latijnse humaniora.

Mijn collegetijd bracht ik door in het vrij strenge Sint-Barbaracollege, bij de jezuïeten in de Savaanstraat. Om te kunnen volgen, moest ik een andere studiegewoonte aannemen. Mijn papa raadde me aan om vóór de les een aantal bladzijden te lezen. Tijdens de les hoorde ik die leerstof dan al voor de tweede keer. Als ik ze daarna thuis nog eens herlas, zat het er al bijna in. Alleen voor de wiskundige vakken moest ik bijles nemen.

Ik verliet het college in 1962. ‘Van Impe, wat ga je nu doen?’ vroeg de retoricaleraar. Ik besprak het met hem en met mijn ouders. Het moest een richting worden waar weinig op het bord geschreven werd. Het lag een beetje voor de hand dat ik filosofie, filologie of rechten zou studeren aan de Rijksuniversiteit van Gent. De keuze viel op rechten, vanuit mijn interesse.

Aan de universiteit kwam mijn studiemethode nog beter van pas. Ik wist altijd wat in de gedrukte cursus stond en noteerde alleen wat de professor er extra bij vertelde. Mijn twee kandidaturen en drie doctoraten verliepen zonder grote problemen, ondanks mijn handicap. In 1967 behaalde ik mijn doctoraat in de rechten.

Na de deliberatie sprak ik met Willy Delva, professor familiaal recht. Doordat ik altijd vooraan in de les zat, kende hij mij wellicht wat beter. ‘Wat ga je doen met je diploma, Van Impe?’ vroeg hij. ‘Waarschijnlijk advocaat worden en pleiten, zoals de meesten in ons jaar’, antwoordde ik. Toen stelde hij me een pertinente vraag: ‘Hoever kun jij mensen herkennen?’ Daar schrok ik een beetje van. ‘Twee à drie meter’, zei ik. ‘Dat is toch wel een grote handicap’, reageerde hij. ‘Denk eraan dat je tegenstrever aan de andere kant van de balie zal staan, acht à tien meter verder. De magistraten zitten dan weer elders. Je zal veel non-verbale communicatie missen en daardoor geen goede respons krijgen op wat je in je pleidooien naar voor brengt. Waarom doe je geen aanvullend jaar notariaat? Dan heb je meer mogelijkheden.’

Ik bedankte hem voor de goede raad, maar zei dat ik dan wel weinig kansen zou hebben in het notariaat. Mijn vader was immers geen notaris en ik had geen notarissen in de familie. ‘Dat zien we wel als het zover is’, antwoordde hij. Ik herinner het mij nog altijd goed…

Zonder problemen heb ik het aanvullend licentiejaar gedaan. Ik had er veel belangstelling voor gekregen: er waren veel interessante vakken.

Toen ik na de deliberatie terug bij professor Delva kwam, verwees hij me naar een collega, Leo Vranckx. Die gaf notarieel administratief recht en was in die periode minister van Justitie. Ik kreeg een onderhoud en vernam dat er in het notariaat een uitbreiding zou komen van het aantal standplaatsen. Per gerechtelijk arrondissement hebben elke 9.500 inwoners recht op een notaris. Door de aangroei van de bevolking komen er dan ook af en toe standplaatsen bij. De professor raadde me aan onmiddellijk aan mijn stage te beginnen. Pas na drie jaar stage kun je als notaris benoemd worden.

Ik ben direct gestart. Elke dag ging ik met de trein van Gent naar Brussel, waar ik in twee grote notariskantoren stage heb gelopen. Driekwart van de akten die ik hielp maken, waren in de Franse taal. Zo kreeg ik die ook beter onder de knie. Ik slaagde voor een taalexamen bij het ministerie van Justitie, wat nodig is om in Brussel benoemd te kunnen worden.

Toen ik 28 was, kwam ik op een ochtend aan in mijn tweede stagepost. ‘Dag collega’, zei de notaris. ‘U vergist zich’, antwoordde ik. ‘Toch niet’, zei hij. ‘U bent benoemd als notaris in standplaats Hulshout. Ik heb het Koninklijk Besluit net gelezen in het Staatsblad.’ Hulshout was inderdaad een van de plaatsen waar ik mijn kandidatuur had gesteld. ‘Proficiat’, zei de notaris. ‘Binnenkort zal je opgeroepen worden.’”

Het notariaat is een heel bijzonder beroep?

“Heel bijzonder en heel interessant. Ik heb het altijd zeer graag gedaan. Je komt met alle mogelijke levenssituaties in contact, op allerlei gebieden: burgerlijk recht, vennootschapsrecht, erfrecht…

Ik kreeg een telegram met mijn officiële aanstelling, ‘ter standplaats Hulshout in het kanton Westerlo, arrondissement Turnhout’. Met mijn papa heb ik direct opgezocht waar die gemeente precies gelegen was. De week nadien ben ik er met mijn ouders naartoe gereden, om kennis te maken met de burgemeester, de gemeentesecretaris en een paar mensen die me wat konden introduceren.

Ondertussen had ik een en ander gehoord en gelezen over Hulshout. In de hele regio, het zuiden van de provincie Antwerpen, was de voornaamste activiteit toen diamantslijpen. ‘Het steentje’, zoals men zei. De mensen verdienden heel goed hun kost. Er waren er die in een diamantfabriek werkten, maar velen deden het thuis, voor en na hun andere job. Op zolder hadden ze een slijpmolen staan en zo verdienden ze bij. Dikwijls een beetje in het zwart, om niet te zeggen altijd…

Ik kwam daar als vreemdeling aan. In het begin was dat niet makkelijk. De mensen zagen mij als een indringer, ze dachten dat ik alles kwam controleren… Ik had nog niet veel ervaring. Hola, ik moet opletten, dacht ik. Niet te veel vragen stellen, vooral luisteren.

De bevolking was gewend om naar een notaris in een aangrenzende gemeente te gaan. Om cliënteel te maken, was ik dus vooral aangewezen op jongeren. Daarom engageerde ik me in het verenigingsleven. Zo is mijn praktijk stilaan gestart, op een heel eenvoudige manier. Ik huurde een deel van een klein huisje, waar ik met mijn wetboeken, schrijfmachine en duplicator het vak instapte.

Regelmatig belde mijn vader me ’s avonds op. ‘Jongen, heb je nu al een klant gehad?’ ‘Nee pa, nog altijd niet…’ En dan, op een dag: ‘Ja pa, ik heb een klant gehad, maar spijtig genoeg heb ik die mens niet verstaan…’ Het was iemand op jaren, die plat Hulshouts sprak. Daar moest ik iets aan doen. In het huisje waar ik zat, woonde ook de directrice van de meisjesschool. Zij heeft me wegwijs gemaakt in het Hulshouts. Ik had me zo geoefend in het Frans, maar was plotseling in het dialect van de Nete geworpen… De aanpassing is vrij vlot gelukt.

Stilaan groeide mijn cliënteel, vooral door de contacten die ik had met de bevolking. In die periode, in 1973, leerde ik ook Anne kennen. Zij is geboren in Congo, woonde sinds 1950 in België en had al heel wat ervaring in het bankwezen en het notariaat. We zijn gehuwd in 1974 en hebben het notariaat samen kunnen opbouwen. Anne hielp me ook met de verplaatsingen en de openbare verkopingen. Ze werd heel goed aangenomen door de mensen. Als ik niet thuis was en er kwam iemand aanbellen met een vraag, zei die: ‘Gij zult het ook wel weten, madam de notaris’. Zo gaat dat op de buiten… (Lacht)

Op een keer belde iemand aan: ‘Meneer, het is voor een verkalvering’. ‘Hebt ge papieren bij?’ vroeg ik. ‘Jamaar,’ zei hij, ‘‘t is voor een verkàlvering!’ En ik: ‘De veearts woont aan de andere kant van de kerk, ik denk dat ge daar moet zijn’. ‘Neenee meneer’, zei hij en hij deed zijn zak open, waar plannetjes in zaten…

Er waren daar in die tijd weinig jongeren die hoger onderwijs gedaan hadden. Met ‘het steentje’ was immers een pak geld te verdienen op korte termijn. Als de ene zoon ging werken en de andere studeerde, bracht de eerste veel geld binnen terwijl de tweede geld kostte… Het was soms heel moeilijk om daaraan te weerstaan.

Ik ben 27 jaar notaris geweest, samen met Anne en in de loop der tijden nog één bediende erbij. Het grote voordeel van de nieuwe standplaats was dat ik mijn praktijk kon opbouwen volgens mijn visuele mogelijkheden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan openbare verkopingen. Die gebeurden in herbergen en het was de gewoonte om te bieden door de hand op te steken. Als iemand vijf vingers in de lucht stak, zette hij er vijfduizend frank bij. Ik vroeg de mensen om hun bod mondeling te doen. Ze namen dat goed aan. ‘Bij Van Impe moet ge het zeggen hé, want die mens die ziet niet goed!’

Ik werkte ook met een beeldschermloep. We zijn in 1975 beland en Philips heeft de eerste ‘tv-leesloep’ uitgebracht. Dat was voor mij een heel nuttig toestel. Het zag eruit als een tv uit die tijd, op poten, met een tl-lampje onderaan en bovenaan een camera met een zoomlens die de teksten tot twintig- à dertigmaal vergrootte. Ik kon me er jarenlang mee behelpen, met mijn ene oog dat één tiende zag.

Daar zou spijtig genoeg verandering in komen. In het vierde jaar van mijn praktijk kreeg ik terug grote problemen met mijn ogen. Het oog waarmee ik één tiende zag, werd getroffen door een bloeding en een netvliesscheuring. Dat gebeurde op een pinksterweekend. Ik ben met spoed geopereerd in het Oogziekenhuis in Rotterdam en was maanden afwezig. Anne zette de praktijk verder, met de hulp van een collega. De operatietechniek was toen als volgt: na de hechting van het netvlies moest je volledig plat liggen. Wekenlang mocht je niet van je bed komen. Ellendig! Desondanks ging dat oog verloren.

Toen heb ik met veel moeite mijn luie oog tot een zekere ontwikkeling gekregen, ook dankzij de beeldschermloep. Zo kon ik weer enkele jaren verder. Maar in 1977 kreeg ik ook in dat oog een retinascheuring. Intussen was de wetenschap een klein beetje vooruitgegaan: in Engeland had dokter John Scott een techniek ontwikkeld waarbij het glasvocht in de achterste oogkamer vervangen werd door een transparante siliconeolie. Ik trok naar Cambridge en was een van de eerste Belgische patiënten die met de nieuwe techniek geopereerd werden. Ditmaal moest ik een aantal dagen op de buik liggen…

In Rotterdam was iedereen onder de indruk van het resultaat. Er werden direct twee artsen naar Cambridge gestuurd om de techniek te leren gebruiken. Enkele jaren later pasten ook de universitaire ziekenhuizen van Leuven en Gent de methode toe.

Zo heb ik toch nog een kleine acht jaar goed mijn plan kunnen trekken met dat oog. Ik zag weer ongeveer een tiende.”

Wat heeft het notariaat u als mens bijgebracht?

“Mijn praktijk heeft me geleerd om heel veel dingen te relativeren. Ik ondervond dat er altijd wel eens iets minder goed gaat in het leven. Is het niet met de relatie, dan met het beroep, de familie of de gezondheid. Ondanks mijn ernstige visuele handicap mocht ik mij heel gelukkig achten dat ik een heel goede vrouw getroffen had en een papa die me van in het begin aanmoedigde om in het gewoon onderwijs te blijven. Ik deed mijn beroep graag en kon mij erin bijwerken. Mijn praktijk werd vrij groot en er zijn nooit mensen weggebleven omwille van mijn slecht zicht. Ik stelde alles heel aanschouwelijk voor aan de mensen en dat werd mij in dank afgenomen.

Soms waren er natuurlijk ook moeilijke klanten. Om een nalatenschap te verdelen, moest je het akkoord van alle kinderen hebben. In het begin van mijn praktijk waren er zo eens vijf kinderen die besloten hadden om het ouderlijk huis openbaar te laten verkopen. Twee van hen kwamen mij vragen om het nodige te doen. ‘Op de verkoping moeten jullie alle vijf aanwezig zijn’, zei ik. ‘Ik kan niet toewijzen zonder uitdrukkelijke goedkeuring van iedereen.’ Eén van de vijf kinderen had ik nog niet gezien.

Op de tweede zitdag kwam ik aan een bepaald bod. Vóór mijn derde en laatste hamerslag ging ik met de kinderen beraadslagen in de keuken van het café. Ik stelde vast dat de vijfde niet aanwezig was. ‘Waar is de Jef?’ vroeg ik. ‘Ah, maar meneer, die gaat met alles akkoord, hij zal achteraf tekenen. Geen probleem, het komt allemaal in orde!’

Goedgelovig als ik was, deed ik de laatste oproep en wees het goed toe. Iedereen tekende, ook de kopers. ‘Kom maar mee,’ zeiden de kinderen, ‘onze Jef is thuis.’ We komen daar aan en Jef zit in de keuken een bord pap te eten. ‘Wat komt gij hier doen?’ vraagt hij. Hij trekt de keukenschuif open, haalt er een groot broodmes uit, steekt dat uit naar mij en zegt: ‘Manneke, als gij niet maakt dat ge hier weg zijt, zullen wij eens samen spreken’. Ik zet twee stappen achteruit en ga met de kinderen terug buiten. ‘Mannen, nu hebt ge mij in een moeilijk parket gebracht’, zeg ik. ‘Ik heb toegewezen, ge kunt zien dat ge hem overhaalt.’ Ze zijn dan met Jef gaan spreken, terwijl ik buiten bleef. Uiteindelijk mocht ik ook weer naar binnen en heeft hij getekend.

Sindsdien heb ik nooit nog een verdeling georganiseerd zonder dat ik op voorhand een notariële volmacht had en iedereen akkoord ging. Want voor hetzelfde geld had ik grote problemen gehad.

De laatste jaren van mijn praktijk ging het steeds minder goed met mijn ogen: ik werd volledig blind. Op de leeftijd van 55 jaar ben ik gestopt. Dat is vrij jong, maar ik was ook heel vroeg begonnen. Ik was een beetje bang geworden. In de jaren negentig werden de mensen veel mondiger. We hadden in ons beroep wel een verzekering tegen burgerlijke aansprakelijkheid, maar iemand had mij eens gezegd: ‘Jongen, als je in je beroep een fout maakt die onmiddellijk in verband staat met lichamelijke onbekwaamheid, dan zal de verzekering niet tussenkomen’. Op die basis zijn we in 1997 gestopt.”

En toen?

“Ik was nog niet oud. ‘We zouden samen nog iets kunnen doen’, zei Anne. ‘Misschien iets van totaal andere aard…’ Zo is het idee ontstaan om naar de kunstacademie te gaan, in Heist-op-den-Berg. We schreven ons in voor de cursus beeldhouwen en zijn gebleven van 1996 tot 2004. Ik had nog nooit zulke lange studies gedaan… (Lacht) Ik hoopte dat ik beelden zou kunnen maken op het gevoel. De leraar had nog nooit een blinde leerling gehad. ‘We zullen zien hoe het meevalt’, zei hij. ‘Begin er maar aan!’

Onze eerste opdracht was een voet met een deel van het bovenbeen. Op een sokkel in het atelier stond een plaasteren voet. We moesten die zo getrouw mogelijk namaken in klei. Daar kregen we vier maanden tijd voor. Ik had bekomen dat die voet naast mij stond. Regelmatig ging ik voelen. Tot ieders verbazing kon ik half november een goed resultaat presenteren. De leraar was er heel tevreden over, Anne ook.

‘Achiel,’ zei ik tegen de leraar, ‘kom regelmatig maar eens op mijn schouder kloppen. Neem mijn hand vast en zet ze op het werk. Als iets fout is, doe mij dan aanvoelen hoe ik het moet verbeteren.’ De leraar heeft het dan altijd zo gedaan. Op die manier lukte het vrij goed.

In het tweede en derde jaar moesten de ziende leerlingen een portret en een beeld van een model maken. Er kwam iemand naakt poseren. Toen stelde zich natuurlijk de vraag: ‘Hoe gaat Van Impe dat oplossen? Gaat hij voelen?’ Ik wou niet aan dat mens gaan voelen zoals ik voortdurend naar die voet was gelopen… Daarom stelde ik aan de leraar voor dat ik mijn zelfportret zou maken. ‘Doe dat!’ zei hij.

Op mijn sokkel zette ik een grote klomp klei. Met mijn lintmeter en mesjes mat ik alle afstanden en vormen van mijn gelaat, om ze over te brengen in de klei. Ik heb er heel lang aan gewerkt. Mijn gelaat hing vol klei. Iedereen moedigde me aan. Naar het schijnt is het beeld vrij goed gelukt. Het werd afgegoten in plaaster en geschilderd.

Als tweede grote opdracht heb ik een zittend meisje gemaakt. Ze leest in een brailleboek dat op haar benen ligt. Het is een levensgroot beeld van klei, hol vanbinnen. Achteraf is het gebakken in de kunstacademie van Antwerpen, want in Heist-op-den-Berg was er nergens een oven waar het in paste.

Een heel speciaal probleem dat ik met dat beeld had, was de stand van het hoofd. Dat meisje mocht niet naar haar boek kijken. Wie braille leest, kijkt in het ijle voor zich. Het hoofd mocht dus niet te veel gebogen staan. Daar hebben ze mij bij moeten helpen, ik kon het zelf niet beoordelen. Je moet dat vanop afstand zien. Voor de rest heb ik dat beeld helemaal zelf opgebouwd, met brede worsten van klei. Het hoofd maakte ik afzonderlijk, dat is er nadien opgezet. De structuur van het beeld moest stevig zijn, anders zou het inzakken!

Het eindresultaat kun je zien en voelen in het vlaamsoogpunt Antwerpen, in de Durletstraat, waar het beeld een plek heeft gevonden.

De volgende jaren werkten we in steen. Eerst was dat speksteen. Die is zo zacht dat je hem kunt bewerken met een soort rasp. Ik kon heel goed op het gevoel vormen aanbrengen. Alle beelden moesten helemaal opgeschuurd worden. Vaak vroegen medeleerlingen mij om te komen voelen of er nog onvolkomenheden waren aan hun werk…

Daarna schakelden we over naar hardere, Franse steen. Nu moest je werken met een beitel in de linker- en een hamer in de rechterhand. Dat gaf nieuwe problemen voor mij, omdat ik gewoon was om met één hand te werken en met de andere te voelen. Ik heb daar toen over nagedacht. Ik kon een beitel gebruiken met een rubberen kap erop. Zo was mijn hand beschermd tegen misslagen. Maar het was omslachtig werken: ik moest mijn beitel voortdurend neerleggen om te voelen. Dat was niet mijn gelukkigste tijd.

In het laatste jaar zijn Anne en ik naar een internationale school in Italië getrokken, die we hadden gevonden op het internet. Daar konden we marmer leren bewerken. Ik vond dat een uitdaging en Anne wou het ook graag eens doen. Ik zond de school een mail om uit te leggen dat ik blind was en te vragen of ik de lessen mocht volgen. Het was een vakantiecursus van enkele weken in Azzano, Ligurië. Het marmer kwam van vlakbij in Carrara. Ze antwoordden mij dat ze al een blinde student hadden gehad, uit Nederland. ‘Je moet je geen zorgen maken’, schreven ze, ‘we zullen je aangepast gereedschap geven.’

Ik had ondertussen ook een avondcursus Italiaans gevolgd. Gezien mijn goede kennis van het Latijn en het Frans was dat niet zo moeilijk.

De leraar gaf mij een heel speciaal werkinstrument in mijn handen. Het was een hamer, maar aan de ene kant zaten er allemaal puntjes, uitsteeksels op het klopvlak. Daarmee kon je bij het kappen deeltjes afkrabben. Aan het andere uiteinde zat een punt, een beetje zoals een houweel. Als je de hamer in de ene richting draaide, kon je er grotere delen mee afkappen, met de andere kant kon je fijner werken.

Ze zijn met ons naar een droogstaand stroompje gegaan. Daar lagen marmerstenen die door erosie een speciale vorm hadden gekregen. We kregen als opdracht elk een steen te kiezen waarin we iets zagen of voelden dat we eruit zouden kunnen maken. Met een vrachtwagen werden die stenen dan opgehaald en naar de school gebracht.

Tot het einde van het kamp hebben we aan onze steen gewerkt, in de voormiddag van acht tot één. We deden dat in open lucht, in de bergen. We waren er met Fransen, Engelsen, Amerikanen… Samen met Amerikaanse studenten vernam ik daar de gebeurtenissen van ‘9/11’.

In mijn steen kreeg ik de vorm van een vis. Ik heb ook verscheidene kleinere marmerstenen bewerkt. Er kwam veel schuren bij te pas. Ik werkte altijd in gladde vormen, want dat voelde heel aangenaam aan.

Na die vakantie is Anne portretschilderen gaan volgen en ik ben overgestapt naar de keramiekafdeling. Daar werkten ze weer met klei. Alleen het draaien van potten was nieuw. Dat gebeurt met een elektrische draaischijf waarvan je de snelheid met een voetpedaal regelt. Het komt eropaan je klei midden op die schijf te zetten en dan met je twee duimen al draaiende zachtjes open te trekken, tot je na veel zwoegen en moeilijkheden tot een ronde pot komt.

Als de klomp niet helemaal in het midden van de schijf blijft, vliegt hij eraf. Ik heb dat dikwijls gehad en dat was heel hilarisch. ‘Albert, uw pot hangt tegen de muur, jongen!’ (Lacht)

Medeleerlingen moesten me helpen om de klei goed in het midden te centreren. Die techniek was dus minder goed aangepast voor mij. Ik heb wel potjes gedraaid, maar bracht het daar niet ver in.

In het tweede jaar kwam er nog een moeilijkheid bij: we moesten de gebakken potten glazuren. Dat kon ik praktisch niet zelf doen. Dikwijls moest je ook met giftige stoffen werken, kobalt en zo. Eerst moest je die afwegen op een weegschaaltje. Omdat ik het niet helemaal zelf kon, ben ik toen met de keramiek en de academie gestopt.

We deden thuis verder: Anne schilderde, ik beeldhouwde. In Hulshout hadden we veel plaats, er was zelfs een koer met afdak. Maar door de gang van het leven zijn we uiteindelijk naar de kust komen wonen.”

Hier beeldhouwt u niet meer, maar bent u wel nog veel met kunst bezig?

“Ja, want ik heb altijd heel veel deugd gehad aan de kunst. Het was een openbaring.

Veel mensen hebben mij gevraagd: ‘Hoe begin je daaraan, als blinde persoon?’ Gewoon doen! Je probeert het en ofwel lukt het, ofwel niet. Bij mij is ook dat gelukt. Ik heb wel een paar keer serieus op mijn vingers geklopt en de potten gingen vliegen, maar al bij al ging het goed.

Nu beperkt mijn artistieke activiteit zich hoofdzakelijk tot tentoonstellingen bezoeken. Drie weken geleden heb ik de Belfius-collectie bezocht in Brussel. Er zijn tegenwoordig heel goede gidsen voor mensen met een visuele handicap. Zij beschrijven een paar werken in een collectie. Op veel plaatsen mag je ook aan beeldhouwwerken voelen. Je krijgt dan plastieken handschoentjes aan om het beeld niet te beschadigen… Ik neem heel dunne zijden handschoentjes mee, want plastic kleeft aan je handen en op de duur voel je dan niets meer.

Verschillende jongere mensen, zoals Tonia In den Kleef, zijn mij al opgevolgd in de kunst. Hier in West-Vlaanderen, in Lissewege, kunnen personen met een visuele beperking elke vakantie met klei en steen leren werken in ‘Kunstencentrum ’t Vaartje’.

Ik was in België een van de eerste blinde kunstbeoefenaars. In het notariaat was ik echt de enige met een zware visuele handicap.”

U was een buitenbeentje… Hoe kijkt u op uw leven terug?

“Ik ben altijd gelukkig geweest, zowel in mijn beroep als in het familiale leven. Ik had maar met één ding verschrikkelijk ongeluk, van bij de geboorte: met mijn ogen. Dat is nooit de goede kant op gegaan, het bleef integendeel verslechteren. Op de duur moest ik het zonder zicht doen, wat soms toch wat frustrerend werd.”

Wat betekende Licht en Liefde in uw leven?

“Licht en Liefde heb ik leren kennen in de jaren negentig. Ik heb onder andere een aantal vakantiereizen meegedaan, samen met Anne: Wenen, Salzburg, Italië, Schotland, Andalusië… Zo ben ik in de wereld van blinden en slechtzienden terechtgekomen. Ik leerde ook hulpmiddelen kennen: de beeldschermloep en later het voorleestoestel en de sprekende computer. In 1995 is Cécile Claes mij braille komen leren. Toen kon ik nog een beetje zien, wat het makkelijker maakte. Met veel zwoegen en zweten heb ik het geleerd, maar ik heb er nooit snelheid in gekregen.

Via Leonard De Wulf kwam in de werkgroep van Licht en Liefde in Antwerpen terecht, waar ik vaak als moderator de lopende zaken op de vergadering tot een goed einde bracht.”

Is er nog een stukje levenswijsheid dat u met ons wilt delen?

“Ja, ik zou zeggen: nooit de moed opgeven! En nooit denken: dat lukt niet. Ik heb bewezen dat het kan, al was het niet altijd gemakkelijk. Als student had ik bijvoorbeeld mijn speciale studiemethode, omdat ik niet langdurig kon lezen. Veel ziende studente hebben die methode nadien van mij overgenomen!

Je krijgt ook wel heel veel terug van de mensen met wie je in contact komt. Ze hielden rekening met mijn beperking. Natuurlijk maak je al eens iets pijnlijks mee. Ooit, toen ik alleen thuis was, zag ik een grote en een kleine figuur in de wachtzaal zitten. ‘Kom binnen, meneer’, zei ik. ‘Ge hebt uw kleine meegebracht!’ Maar dat was zijn madam en het was een mongooltje… Ik heb mij natuurlijk geweldig geëxcuseerd. Zoiets overkomt je geen twee keer. Op de duur word je een beetje te zelfzeker met je handicap.”

Hebt u nog dromen, of gaat u gewoon blijven genieten?

“We wonen hier in het huis van de ouders van Anne, dat we in 2010 volledig gerenoveerd hebben. We kwamen naar de kust omdat we het klimaat hier veel beter vinden. Er zijn ruimere mogelijkheden om te fietsen en er valt hier cultureel veel meer te doen dan in Hulshout, Heist-op-den-Berg en Herentals. Daar zijn ook goede culturele centra, maar in Knokke kun je zoveel meer beleven aan concerten, lezingen… Brugge is ook niet ver.

Waar we vroeger woonden, was het vrijetijdsleven vooral afgestemd op sport. Al die gemeenten hebben een grote sporthal. Voor culturele manifestaties moet je al naar Lier of Geel gaan en daar zie je soms tegenop, vooral in de winter. We wonen heel graag in Knokke. Het huis heeft ook een klein tuintje, waar ik kan genieten van de zon.

Een ander pluspunt zijn de vele aangespoelden. Mensen zoals wij, uit diverse regio’s, die hier na hun pensioen kwamen wonen. In het verenigingsleven zijn we dikwijls samen met die mensen. Er is bijvoorbeeld een heel interessante ‘open-contact-club’. Elke maand komen we bijeen voor een lezing, gevolgd door een receptie en een etentje. Daar hebben we al heel veel mensen leren kennen. Je trekt een nummertje voor je tafel, zodat je nooit bij dezelfde mensen zit.

Zo, dat was mijn verhaal. Nu gaan we eens naar mijn zelfportret kijken!”

Dat doen we en zo krijg ik de kans om Albert ook op wat jongere leeftijd te ontmoeten. De gelijkenis is sprekend! Anne toont me enkele van haar schilderijen. Het huis is vol mooie dingen en
Albert geniet met volle teugen van die kleurrijke wereld, ook al mist hij één zintuig volledig. De zon schijnt, buiten en in zijn hart.

 

Anne en Albert, bedankt voor de gastvrijheid. We wensen jullie nog veel gelukkige jaren toe!

(Interview: Jan Dewitte)

Help Blindenzorg Licht en Liefde helpen. Ons rekeningnummer voor giften is BE93 7370 3703 7067. U kunt ook online schenken. Heel veel dank!

Onze Sponsors
BARCO helpt Blindenzort Licht en Liefde Beslist.be solden.be
LICHT EN LIEFDE Oudenburgweg 40, 8490 VARSENARE +32 (0)50 40 60 50 E-MAIL: INFO@LICHTENLIEFDE.BE