Loopzone

1. Natuurlijke aanpassingen


Voetpad met aan weerszijden een haag als gidslijn
  • Natuurlijke aanpassingen of ook wel gidslijnen genoemd zijn een aaneensluiting van elementen die blinde en slechtziende personen gebruiken om met behulp van hun stok te volgen en zo van punt A naar punt B te gaan. Dit kan een gevel, een voetpadboord of een haag zijn. (zie ook: groene zone) Maar dit kan ook een reling, een opkantje en structuurverschil van de ondergrond zijn. 
  • Het is comfortabel dat een gidslijn zo rechtlijnig mogelijk wordt geplaatst zodat men zich gemakkelijker kan oriënteren 
  • Obstakelvrij zone:
    • Bij wet is vastgelegd dat elke weg voor voetgangerverkeer een obstakelvrije loopweg heeft van minstens 1 meter breed en 2,10 meter hoog.
    • Indien de weg breder is dan 2 meter dient er minimaal een obstakelvrije zone te zijn van 1,50 meter.
    • Niet alleen de obstakelvrije zone is belangrijk, daaraan gekoppeld heb je een gids- of geleidelijn. Deze bevordert de zelfstandige bereikbaarheid van voorzieningen.
    • Indien er toch objecten op de loopweg voorkomen, zorg er dan voor dat de randen onder het object zijn of dat het object met de voet voelbaar is of dat het object tot op de grond doorloopt omdat een persoon met een visuele beperking de grond aftast met de witte stok.
  • Hindernissen (zoals straatmeubilair, occasionele obstakels zoals fietsen, vuilnisbakken,…)
    • Zorg altijd voor een egaal voetpad dat niet glad is.
    • Een caféterras moet afgebakend worden worden door een windscherm of bloembak tot tegen de grond of dergelijke.
    • Let op dat bij roosters op het voetpad de maaswijdte zo klein mogelijk is (maximaal 2 centimeter) en dat het rooster dwars op de looprichting geplaatst wordt. Zo zullen stoklopers minder gemakkelijk blijven vastzitten in de gleuven.
    • Let op dat bij roosters op het voetpad de maaswijdte zo klein mogelijk is (maximaal 2 centimeter) en dat het rooster dwars op de looprichting geplaatst wordt. Zo zullen stoklopers minder gemakkelijk blijven vastzitten in de gleuven.



2. kunstmatige tactiele tegels, geleidelijn die overgaat in gidslijn

kunstmatige tactiele tegels kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën: de rubbertegel, de ribbeltegel en de noppentegel.Let bij het aanleggen van geleidelijnen op dat de tegels goed voelbaar zijn. De omgevende tegels bevatten dan ook zo weinig mogelijk reliëf. Zorg voor contrast tussen de geleidelijn en de omgevingsbetgeling zodat slechtziende mensen de weg ook goed kunnen afleggen.

Rubbertegel

2.1. Rubbertegel

  • Deze tegel heeft als functie “informatie” geven. Hij wordt gebruikt om:
    • een bus- of tramhalte aan te duiden,
    • een kruispunt van geleidelijnen aan te duiden,
    • de ingang van een gebouw aan te duiden en het loket aan te geven,
    • een lift aan te duiden,
  • Indien een informatietegel gecombineerd is met een geleidelijn is hij 60 op 60 centimeter, indien hij niet gecombineerd is, is deze tegel 90 op 90 centimeter. Dit vierkant wordt op 15 centimeter van de boord geplaatst.
Ribbeltegel

2.2. Ribbeltegel

  • Deze tegel duidt de juiste looprichting aan (oriëntatie). Door de groeven te volgen stap je in de goede richting (geleiding).
  • Algemeen wordt gesteld dat het diepste punt van de tegel moet gelijklopen met het niveau van de omgevingsbetegeling. Het hoogste punt buiten is minimaal 5 tot 6 millimeter, binnen is dit echter minimaal 2,5 millimeter.
  • Ze worden vaak aangelegd bij oversteekplaatsen of om een ontbrekende gidslijn te vervangen.
  • Je vindt ze in een binnen- en een buitenuitvoering in beton, keramiek, marmer, klein handstuk in coating uitgevoerd.
  • De ribbellijnen liggen op een afstand van 1,8 tot 5 centimeter van elkaar.
  • Je moet een minimale breedte van 60 centimeter ribbeltegels hebben. Indien er een overgang is van geleidelijn in gidslijn zorg er dan voor dat er een overlapping is van 120 centimeter.
Noppentegel

Inox noppentegel aan trap

2.3. Noppentegel

  • Dit is een waarschuwingstegel om gevaarlijke punten te signaleren. Je vindt ze dus voornamelijk terug aan:
    • oversteekplaatsen
    • dalende trappen
    • waterpartijen
    • niveauverschillen
    • gevaarlijke punten
    • perronranden
  • Buiten wordt meestal de voorkeur gegeven aan een betonnen uitvoering. Binnen wordt -ondermeer bij de metro- geopteerd voor inox noppen die groter zijn.
  • Een noppentegel wordt bij een oversteekplaats altijd loodrecht op de loopzone aangebracht. Bij een ander gevaar wordt de noppentegel over de breedte van het gevaar geplaatst op een diepte van 60 centimeter.
  • Ook voor noppentegels geldt de regel dat het diepste punt van de tegel gelijkloopt met het niveau van de omgevingsbetegeling.
  • Noppen in beton hebben een diameter tussen 2,3 en 2,7 centimeter en staan altijd gerangschikt op 5 tot 6 centimeter van elkaar.
  • Een noppentegel wordt steeds aangelegd over de volledige breedte van de oversteekplaats met een minimumlengte van 180 centimeter en een diepte van 60 centimeter.