Menu:
deel deze site op:

Solidariteitsprojecten van, voor en met blinden en slechtzienden:
diensten op maat voor mensen met een visuele handicap

Nieuws en events

Zoeken

Blijf op de hoogte

Toegang voor medewerkers

Geef aub uw login en wachtwoord op:

Beveiligde pagina's

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent vehicula egestas porttitor. Morbi accumsan justo quis purus viverra, nec congue est maximus.

deel dit artikel op:

Interview met LUC LALOO

Als u op een foto klikt, wordt ze groter.

Een van de honderden vrijwilligers bij Licht en Liefde is Luc Laloo uit Varsenare. Luc engageert zich als chauffeur voor het inleefproject XiNiX. Hij klopte bij ons aan na een toch wel zeer opmerkelijke carrière.

Hier is zijn verhaal…

Luc: “Van opleiding ben ik architect. Ik heb vooral in het buitenland gewerkt, voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Mijn laatste post, tot 2010, was Jeruzalem. Ik was toen verantwoordelijk voor de ontwikkelingsprojecten in de Palestijnse gebieden en Gaza. Samen met de Palestijnse overheid en de lokale bevolking werkten we aan programma’s en projecten op het vlak van gezondheidszorg, infrastructuur, onderwijs, lokaal bestuur…

In Gaza bouwden we een operatiezaal en intensive care unit voor hartchirurgie. Zoals alles in Gaza was dat een probleem. Het vroeg veel creativiteit en doorzetting om alles tot een goed einde te brengen.”

Stil en veilig is het daar niet…

Luc: “In mijn tijd was het onrustiger dan nu, maar terrorisme blijft dagelijkse kost. Denk aan de vrachtwagen die onlangs inreed op een bus met militairen in Jeruzalem. Maar het doet deugd dat de operatiezaal nog altijd werkt. Ze doen er twee hartoperaties per dag.”

Je bent je carrière ooit begonnen in Afrika?

Luc: “Inderdaad. Alles startte in 1982 met een korte zending naar Algerije. Daarna werkte ik daar in de sloppenwijk van de stad Annaba. Ik was betrokken bij de bouw van vijfduizend woningen. Na een tijd motiveerden we de mensen om zelf te bouwen: wij zorgden voor plannen en in het begin zelfs voor de materialen. We hebben ook huizen hersteld in de oude stad, de moskee opgeknapt, rioleringen gelegd…

Algerije is een prachtig land met een uiterst rijke ondergrond. Maar het leven was er in het begin moeilijk en hard. Veel kon je er niet kopen en er ontbrak altijd wel iets op de markt.

Na vijf jaar verhuisde ik naar Dakar in Senegal. Van de bidonville naar de ambassade: geen eenvoudige stap! In de bidonville werd alles heel direct en duidelijk gezegd. In een ambassade klinkt het van: ‘On pense, on suppose, on estime’, alles wordt er verbloemd. Toch was het heel interessant om daar te zitten, want we werkten ook voor projecten in Mali, de Kaapverdische Eilanden, Mauritanië, Guinee-Bissau. Ik had in die periode een nogal reizend leven. Met de wagen of het vliegtuig, naar gelang. Een fijne tijd!

Na drieënhalf jaar ben ik vertrokken naar Bujumbura in Burundi. Dat was in ’92. Burundi is heel mooi: duizend heuvels, een overvloed aan water, een prachtige natuur. Het was er rustig, je kon er dag en nacht zonder problemen rondreizen.

Het land is wel uiterst dichtbevolkt. Buiten de landbouw is er weinig werk en de landbouw kan de bevolking onvoldoende voeden. In ’93 ontplofte de situatie. Na de eerste democratische verkiezingen en de moord op president N’dadaye woedde van ’93 tot ’99 een burgeroorlog tussen Hutu’s en Tutsi’s. Het was een ongekend wrede moordpartij, zowel in Bujumbura als in het binnenland.

We zijn gebleven, om de mensen terug aan een thuis te helpen en alles weer zo normaal mogelijk te maken. Boeiend, maar beangstigend. Vaak stonden we met onze voeten middenin de wreedheden, omdat we rapporteerden wat er gebeurde. Soms gingen we ter plaatse kijken wat er gebeurd was. Dan merk je dat er niet veel nodig is om alles in brand te doen vliegen.

Na vijfenhalf jaar Burundi werd ik naar Brussel teruggeroepen om enkele jaren op het ministerie te werken. Maar tijdens mijn verlof werd me al gevraagd of ik geen zin had om de ontwikkelingssamenwerking in Burkina Faso op te starten. Het werden achttien boeiende maanden in Ouagadougou. Ik kreeg er drie dagen lang de toenmalige eerste minister Jean-Luc Dehaene en de minister van Ontwikkelingssamenwerking Reginald Moreels op bezoek, met een hele delegatie en de nodige reporters. Burkina is een van de armste landen ter wereld. Alles van nul opstarten was niet evident.

Terug naar Brussel. Voor het eerst werkte ik nu op het ministerie. De aanpassing was niet te verteren. In die periode werd de Belgische Technische Coöperatie opgericht. Daar heb ik aan meegewerkt.

Een paar jaar later vertrok ik naar Tunesië, nu om er alle projecten af te werken en de ontwikkelingssamenwerking met het land op te doeken. Ook dat was een zending van achttien maanden.

Mijn laatste post was dus de Palestijnse gebieden, met als standplaats Jeruzalem. Ik werd er benoemd als ‘Resident Representative’. Opnieuw een bijzonder mooie en interessante plek om te vertoeven. Je kunt je bijvoorbeeld niet inbeelden hoeveel godsdiensten er in Jeruzalem bestaan. Maar je leeft er bij wijze van spreken op een actieve vulkaan. De spanning is voelbaar en elke dag gebeurt er iets.”

Ging je echtgenote mee naar het buitenland?

Luc: “Meestal wel, op het einde minder omdat de kinderen studeerden. Ik probeerde dan mijn vakanties in België door te brengen en zij de hare bij mij. Ook de kinderen kwamen soms. Na het overlijden van mijn echtgenote ben ik in België gebleven.”

Hoe heb je Licht en Liefde leren kennen?

Luc: “Ik woon hier zowat achter de hoek, op driehonderd meter. Ik wist dat het bestond en wou als gepensioneerde wat vrijwilligerswerk doen. Toen ik hoorde dat ze mensen zochten, heb ik mijn stoute schoenen aangetrokken. Priegel vroeg me of ik chauffeur wou worden.

Ik breng blinde en slechtziende ervaringsdeskundigen naar XiNiX en terug, vooral vanuit het Brugse station.

Vroeger had ik een chauffeur, nu ben ik chauffeur! Ga ik er nu op vooruit of ga ik achteruit?” (Lacht)

Doe je het graag?

Luc: “Rijden is geen fanatieke bezigheid van mij. Ik vind eigenlijk van mezelf dat ik niet zo’n goede chauffeur ben… Vroeger had ik altijd mensen die me zeiden wanneer ik moest vertrekken en wat ik moest doen. Ik moet altijd heel goed nadenken hoelang ik over een traject zal doen en waar mijn bestemming precies ligt.

De contacten met de mensen zijn heel aangenaam. Ze zijn allemaal anders, met verschillende problemen.

Het is niet eenvoudig om met zes blinde mensen over te steken naar de kiss-and-ride-zone. Dan merk je dat de toegankelijkheid in een toeristische stad als Brugge niet denderend is. Aan verkeerslichten zou je op je gemak moeten kunnen oversteken. Je mag dat proberen aan het station, maar het lukt niet. Senioren en zeker blinde mensen zijn amper halfweg als het voetgangerslicht alweer op rood springt. Wij moeten dan in het midden stoppen. Door de werken aan het station zijn nu ook de bussen een ramp. Hun stopplaats verandert om de haverklap. Als je niets ziet, weet je dan niet waar je terechtkomt.

Aan de achterkant van het station heb je nu een mengeling van fietsers, bromfietsers en voetgangers. Ik liep daar altijd rustig door, terwijl de fietsers me links en rechts voorbijstaken. Maar voor blinden is dat moeilijker. Zij schrikken zich rot als er een tweewieler voorbijschiet. Er is geen aandacht besteed aan toegankelijkheid.

Een historische plek als het begijnhof is perfect toegankelijk. Rondom ligt een pad en je hebt verbindingspaden. Alles is vrij overzichtelijk: één keer uitleggen en een blinde persoon vindt er zijn weg. Geen gevaar ook voor auto’s of fietsen. Het begijnhof is aangelegd vanaf de jaren 1220 en wordt nog altijd ervaren als mensvriendelijk. Als de toeristen die holderdebolder door Brugge lopen in het begijnhof komen, vertragen en verstillen ze. Je vindt er ook tekenaars en schilders, die de sfeer en rust trachten weer te geven. Iedereen vindt het prachtig.

Het nieuwe plein achter het station daarentegen wordt door velen ervaren als chaotisch. Blinde mensen hebben er totaal geen overzicht. Er is geen aandacht voor hen. Er bestaan werkgroepen voor toegankelijkheid, maar daar wordt waarschijnlijk niet genoeg rekening mee gehouden. Nochtans is dat essentieel: naast blinden zijn er mensen met een andere handicap en heel veel senioren.

Je begint pas te zien wat er fout loopt als je bezig bent met die mensen. Vroeger had ik daar geen aandacht voor. Je loopt desnoods door het rood. Nu merk ik dat het voortdurend nodig is om mensen te helpen tot aan hun bus. Bepaalde zones zijn heel gevaarlijk voor hen. Als blinde hoor je de bussen rijden, maar kun je moeilijk inschatten hoever ze zijn en of ze op je afkomen.

Soms wordt aan zulke problemen iets gedaan, maar ze worden niet ingecalculeerd. Brugge zou nochtans een heel toegankelijke stad moeten zijn voor iedereen. Het zou goed zijn de burgemeester en de schepenen eens als blinden door de stad te laten lopen, zodat ze aan den lijve kunnen ondervinden hoe dat is.”

Je zou denken dat het in Dakar toch erger is?

Luc: “Ze rijden daar minder geordend en de verkeersregels zijn niet erg duidelijk. Het is effectief erger. Maar iedereen past wel op voor iedereen, dat is een belangrijk verschil. Je mag door het rood rijden, maar dan heel langzaam. Een blinde persoon wordt in Senegal door iedereen begeleid. Hij maakt deel uit van de maatschappij.”

Iedereen is er een beetje vrijwilliger?

Luc: “Zeker en vast! Hier zijn allerlei instellingen ontstaan. Pechverhelping, bijvoorbeeld. Je betaalt en ze komen je helpen. In Afrika heb je dat niet nodig. Ik heb overal gereden, tot in Timboektoe, zonder krik of sleutels. Die zijn overal. Zodra je in panne staat, komt iedereen hulp aanbieden. Is het avond, dan krijg je eten en een slaapplek.

Ook de mensen met een verstandelijke handicap lopen door het centrum van Dakar. Iedereen kent hen en houdt een oogje in het zeil. Als westerling staar je in het begin naar die mensen, maar dan staart iedereen naar jou: ‘Wat scheelt er? Die persoon hoort erbij!’ De solidariteit is er meestal groter dan bij ons. Het gebeurt spontaner. Voedsel gooi je niet weg: wat over is, geef je aan iemand. Kom je terug van een reis, dan zal iemand je eten brengen. In Algerije staan ze met hun couscous al te wachten, soms wordt het bijna storend. Dat hoort erbij, het is een andere mentaliteit. De menselijkheid is groter.

En soms ook kleiner: in Burundi was er de plotse omslag. Je ziet de doden liggen, maar kunt het nog niet geloven. Vroeger lag je op zo’n plek zorgeloos op je rug naar een fantastische sterrenhemel te kijken, in het pikdonker. Nu zijn er nog altijd blanken die zich niet buiten Bujumbura wagen. Naar Timboektoe moet je ook niet meer reizen.

Gelukkig is het meestal anders. Ook in Gaza heb ik nooit problemen gehad met de mensen, integendeel. Je zou denken dat het daar allemaal terroristen zijn, maar dat klopt niet. Met nieuwjaar schreven ze mij: ‘De operatiezaal hartchirurgie draait nog!’ Dat vind ik super, het was mijn beste nieuwjaarsbericht.”

Haal je evenveel voldoening uit je vrijwilligerswerk?

Luc: “Natuurlijk. Ik heb werk nooit gezien als ‘nine-to-five’. Ik deed de uren die nodig waren en dat waren er altijd meer dan normaal. Ook ’s avonds en in het weekend konden ze op me rekenen. Dat je daar centen voor krijgt, is natuurlijk meegenomen. Maar het hoeft niet altijd. Nu zou ik ook kunnen werken voor geld, maar dat zegt mij minder. Je bent dan niet meer vrij om te doen waar je zin in hebt.

Ik heb het altijd goed gehad, veel kansen gekregen, veel kunnen genieten, machtige reizen gedaan. Dan moet je wat kunnen teruggeven aan wie minder heeft."

Als je in onze huidige maatschappij de vrijwilligers uitschakelt, zou er enorm veel stilvallen. Meer dan je denkt. Als vrijwilligers niet meer voor andere mensen zorgen, moet de familie dat doen. Dan zullen velen hun werk moeten verlaten. Ik vraag me af hoever dat zou reiken.

Daarvoor doe ik het. En je bent dan nuttig bezig. Je maakt mensen gelukkig en XiNiX kan draaien. Ik vind het belangrijk dat blinde en slechtziende mensen hun ervaring doorgeven aan anderen. Al was het maar omdat iedereen door een ongeval blind kan worden. Enorm veel mensen krijgen op latere leeftijd problemen met hun zicht.

We hebben vaak plezier. Ook de ervaringsdeskundigen zijn allemaal enthousiaste vrijwilligers. Ze halen er grote voldoening uit en zijn trots dat ze het doen. Ze kunnen mensen inzicht geven.

Misschien zijn we met te weinig. Bepaalde periodes zijn hectisch. Soms zou je willen dat het wat minder is. Maar in kalme periodes zou het dan weer wat meer mogen zijn. Als we met meer waren, zouden we ons ook beter kunnen organiseren. Er is een tweede chauffeur, maar die woont in Beernem. Een extra chauffeur in de buurt van Varsenare zou ideaal zijn. Dan kunnen we onder elkaar afspreken.

Ook Licht en Liefde Heem belt soms, voor bewoners die ergens naartoe willen. Zonder vervoer moeten zij thuisblijven. De vraag is enorm, er valt nog veel te doen op dat gebied. Ook op veel andere gebieden, bijvoorbeeld bij VeBeS. Iedereen zou wel ergens iets kunnen bijdragen, al was het maar één dag in de week of op bepaalde momenten.”

Is er nog wat extra levenswijsheid die je met ons wilt delen?

Luc: “Ik heb altijd last van ‘never give up’. Raak je langs de voordeur niet binnen, dan langs achter of door het raam. Dat zit in alles wat ik doe: het moet en zal lukken. Ik ben bijvoorbeeld planten beginnen kweken in de tuin. Na een tijd begint het erop te lijken. Als je alleen valt, moet je ook zorgen voor je eten. Dan begin je te leren koken. Als je volhoudt, slaag je erin om bepaalde gerechten te maken. Dan zeggen sommigen: ‘Hoe doe je dat?’ De meeste dingen zijn eenvoudig, maar je moet eraan beginnen. Daar mag je nooit schrik van hebben. Ook als er iets verkeerd gaat, mag je niet opgeven.

Dat was ook altijd zo in Afrika. Als je met een probleem zit, blijf dan niet wachten, maar doe iets. Zo kregen we in Burundi op een dag een telex uit Brussel: er waren honderden tonnen rijst op komst. Ze kwamen via Tanzania, over het meer. Waar gaan we dat stockeren? dacht ik direct. We moeten een hangar hebben. Waar vinden we die? Waar er hangars staan: bij het meer. Dan ga je rondvragen. ’s Namiddags heb je een geschikte hangar gevonden die je kunt huren.

Volgende vraag: wat ga je met die rijst doen? Je kunt vluchtelingenkampen bevoorraden. Dat lijkt op een boer die zijn varkens te eten geeft: het voedsel wordt zo ongeveer over de afsluiting gestort. Bij de boer hebben alle varkens een nummer in hun oor en ook alle vluchtelingen zijn een nummer geworden. Maar de varkens zijn gelukkig en dik, terwijl de vluchtelingen mager en ziek zijn. De een geeft hen dit, de ander dat en toch is er altijd iets dat ontbreekt om soep te maken…

Je kunt elke dag opnieuw rijst uitstorten. Maar eigenlijk moeten die mensen weer naar huis. Dus zeiden we: ‘Je mag je huisje zelf terug opbouwen, we gaan je begeleiden. Als je werkt, krijg je ook zoveel rijst per dag’. We organiseerden alles: eerst hielpen we de zwaksten. We begonnen ook zo snel mogelijk weer te zaaien. Zonder oogst is er immers een jaar langer voedselhulp nodig. Als de oogst lukt, zorgen de mensen terug voor zichzelf, beter dan wij het kunnen. Aan de militairen en de rebellen vroegen we om hen met rust te laten.

Zo zijn we gestart. Het werkte goed. Er werden ook wegen aangelegd en we begonnen scholen te bouwen, op een heel eenvoudige manier. Je krijgt beter les van Cicero onder een boom dan van een idioot in een mooie klas!

In elk dorp wilden we een ‘collège communal’ bouwen, waar iedereen terecht kon. Niet alleen de tutsi-minderheid, maar ook de hutu’s. Zij hadden geen toegang tot dat soort onderwijs, waardoor er botsingen kwamen. Het is beter je te verdedigen met woorden dan met wapens. Hoger opgeleide mensen vechten trouwens minder met een machete.

De president hoorde over ons plan. Op een dag belde hij me: ‘Het schijnt dat jij een document hebt, maar dat je niet graag naar mij komt omwille van de vele wachtposten. Wel, je mag rechtdoor rijden, de koffie staat klaar.’ Ik ben gegaan en heb de president alles uitgelegd. Hij was enorm enthousiast en wou het document waarin stond hoe de colleges eruitzagen en hoe we de klassen zouden organiseren.

Kort daarna vroeg de ambassadeur me of ik naar de televisie had gekeken. ‘De president heeft verteld dat hij overal “collèges communaux” gaat bouwen’, zei hij. ‘Weet jij daarvan? Het lijkt hetzelfde als wat jij geschreven hebt.’ ‘Hij zal het op een of andere manier te weten gekomen zijn’, antwoordde ik. Maar ik was blij: nu had ik de presidentiële zegen. Dat was heel belangrijk om te slagen. Ik kon onze plannen verdedigen door te zeggen dat de president het wou.

Later sprak een oude bekende uit Burundi me in Brussel aan. Hij was intussen minister geworden. ‘We hebben al meer dan tweehonderd colleges!’ zei hij. Dat is tof, hè. Het bewijst dat het lukt. Dus: never give up. (Lacht)

We noemden ons basisidee ‘Food for work’. Toen minister Willy Claes op bezoek kwam, vroeg hij waar dat vandaan kwam. Niemand kon antwoorden. Het was gegroeid uit overleg. In vergaderingen brengen mensen zaken aan. Het lijkt niet zo vruchtbaar, maar toch rijpt er iets. Eigenlijk was ons plan zo simpel als wat: iedereen werkt toch voor zijn boterham? We denken allemaal dat het ons idee is. Het is van ons allemaal. Samenwerken loont. En houd het simpel. In de brousse heb je niet veel en vaak is dat ook niet nodig. Mijn ideeën zet ik met een gewone pen op een blaadje papier, dat ik altijd bij heb.

Je hoort soms zeggen dat de mensen in Afrika lui zijn. Niet waar! We hebben daar wegen aangelegd waarbij honderden arbeiders in de blakende zon hakten en zand vervoerden. Ze dronken uit flessen die wij zouden weggooien en het leek wel thee in plaats van water. Ik zou het geen halfuur uithouden, maar zij deden het. Er zit veerkracht in die mensen, als je hen kunt motiveren.

We hebben in Bujumbura gewerkt met straatkinderen, echt het grootste krapuul. Ze waren bekend bij de politie, want ze zaten rapper in je zakken dan jijzelf. Ze waren ook zo snel dat niemand hen kon pakken. Toen ik dat hoorde, heb ik alles positief vertaald: ‘Dat moeten handige kerels zijn! En zulke goede benen!’

In plaats van hen een abonnement op voedsel te geven, wou ik hen laten werken en studeren. Maar dat werd als onmogelijk beschouwd.

Ik dacht aan de wielrenners bij ons: ‘Ik heb goede benen’, zeggen die. Zo kwam ik uit bij een fiets. De straatjongens kenden heel goed de stad en daar was er geen postbedeling. De ‘facteur’ was geboren!

Ik vroeg of ik de groep op zaterdag een kwartiertje mocht toespreken. Daar stonden toen al die bonkige kerels… Ik legde hen uit dat we een project wilden starten van ‘petits facteurs urbains’, een soort fietskoeriers. Toen ik klaar was, deed de grootste van de bende een stap vooruit. ‘Ik zal spreken voor iedereen’, zei hij. ‘Jij bent de eerste die met een positief idee naar ons komt. Je biedt ons iets aan en zegt dat we geld kunnen verdienen. Hoe je dat gaat doen, versta ik nog helemaal niet. Maar kijk, we gaan het proberen. En als hier iemand niet akkoord gaat, heeft hij met mij te doen.’

We moesten het tot in de puntjes uitwerken. Ze moesten zich leren gedragen, mensen leren benaderen. Het was de bedoeling dat ze invitaties van de ambassade zouden ronddelen, bloemen halen voor het bureau van de ambassadeur, pistolets en croissants voor het personeel. Ze konden ook bestellingen van vlees ophalen.

Het werkte. Elke week werd hen verteld hoeveel iedereen op de bank staan had. Was er iets kapot aan een fiets, dan werd die kost afgetrokken. Je zag hen op een papiertje noteren wat ze hadden. Ze konden ook naar school.

Met dat soort acties maak je echt een verschil. Zo is het ook als je zinvol vrijwilligerswerk doet. Centen kun je niet meenemen als je sterft, maar als je iets realiseert, dan blijft het effect duren. Probeer genoeg centen te hebben, maar meestal heb je er te veel. Mijn werk heeft me geleerd dat we niet zoveel nodig hebben.  

Ik mis het daar wel…”

 

Bedankt voor deze uiterst boeiende babbel, Luc! In bewogen tijden doet het deugd om zo’n positief verhaal te horen. We wensen je veel plezier als vrijwilliger en veel geluk in je verdere leven!

(Interview: Jan Dewitte)

Help Blindenzorg Licht en Liefde helpen. Ons rekeningnummer voor giften is BE93 7370 3703 7067. U kunt ook online schenken. Heel veel dank!

Onze Sponsors
BARCO helpt Blindenzort Licht en Liefde Beslist.be solden.be
LICHT EN LIEFDE Oudenburgweg 40, 8490 VARSENARE +32 (0)50 40 60 50 E-MAIL: INFO@LICHTENLIEFDE.BE